Poliomyelitis (kinderverlamming)
Inleiding
Er is geen andere ziekte in Nederland die zulke sterke emoties oproept dan polio, officieel 'poliomyelitis'. Elke discussie rond vaccinaties draait binnen de kortste keren uit op een verwijzing naar het feit dat, na de invoering van de poliovaccinatie in 1957, er geen grote polio-epidemieën meer optraden. Kleine epidemieën (maximaal 110 gevallen) beperkten zich bijna uitsluitend tot niet-gevaccineerden in groepen die zich op levensbeschouwelijke gronden niet laten inenten. Het lijkt alsof elke discussie door dit voorbeeld eindigt in het gelijk van de voorstanders van onbeperkt vaccineren. Dit is op zich al onjuist, want het mogelijke voordeel is daarmee nog niet afgewogen tegen de nadelige gezondheidseffecten van vaccineren. Dat laatste laat zich met het huidige registratiebeleid echter heel moeilijk in betrouwbare cijfers uitdrukken. Bijwerkingen worden sterk onder gerapporteerd en zijn moeilijk aan de poliocomponent in het DKTP (difterie, kinkhoest, tetanus, polio) vaccin toe te schrijven door toepassing in deze combinatie. Meestal krijgt de kinkhoestcomponent de schuld. Cijfers over het aantallen poliogevallen zijn echter voorpagina nieuws.
Het is ook juist n.a.v. polio-epidemieën in 1952 (1712 gevallen) en 1956 (2206) dat het Rijks Vaccinatie Programma (RVP) werd opgesteld. In 1957 werd begonnen met het vaccineren tegen polio, eerst met het losse gedode Salkvaccin, in 1962 gevolgd door de combinatiespuit DKTP. Het hele vaccinatiebeleid werd zodanig strak geregeld dat Nederland een van de hoogste vaccinatiepercentages ter wereld bereikte: boven de 95% van de bevolking.
Het virus, verspreiding en besmetting
Poliomyelitis, vroeger kinderverlamming genoemd, is een acute ontsteking van het grijze ruggenmerg, waarbij vooral de motorische cellen (die de bewegingen sturen) worden aangedaan. Het virus nestelt zich echter ook elders in het zenuwstelsel zoals in de hersenvliezen en hersenstam. Het virus kan dus symptomen geven van:
- een virale infectie zoals griep,
- meningitis (hersenvliesontsteking),
- verlammingen.
Het poliovirus behoort tot de entero-virussen (in het maag/darmkanaal voorkomend) van de Picorna-groep. Andere bekende virussen uit deze groepen zijn het Coxsackie- en Echo-virus.
Er bestaan drie typen poliovirussen, type 1, 2 en 3. Besmetting met één type geeft levenslange immuniteit (onvatbaarheid) tegen alleen dat type. Alle epidemieën in Nederland behoorden tot het type 1, behalve de laatste epidemie van 1992, dit was type 3.
Het virus verspreidt zich vooral via de ontlasting naar de mond, via b.v. water of voedsel. Het virus kan maanden infectieus blijven bij een temperatuur van 0-8 graden. Onschadelijk wordt het door formaline, chloor, temperaturen boven de 50 graden en UV-licht.
Het virus komt dus via de mond naar binnen, hecht zich aan cellen van keel en darmwand, vermenigvuldigt zich daar, infecteert de lymfklieren ter plaatse, komt via het lymfestelsel in het bloed terecht en via het bloed kan het zenuwstelsel worden bereikt. Een goed functionerend afweersysteem zal het virus snel herkennen en binden aan antilichamen en daarmee onschadelijk maken. Poliovirus-neutraliserende antistoffen zijn aangetoond in ontlasting, urine, neus- en keelafscheidingen en borstvoeding. Amandeloperaties en ondervoeding hebben een remmend effect op de antistofvorming. Hetzelfde geldt voor veelvuldig gebruik van antibiotica of weerstandsverlagende medicijnen zoals prednison.
Het virus kan zich behalve via het bloed ook via de zenuwen zelf verspreiden en zelfs direct vanuit zenuwuiteinden in de spieren het lichaam binnendringen.
Observaties uit de jaren vijftig, waarbij werd verondersteld dat injecties in de spieren een verlamming geven van spiergroepen rond de injectieplaats, zijn inmiddels in diverse studies bevestigd. Naast amandeloperaties zijn daarom injecties voor niet gevaccineerden, ten tijde van epidemieën, af te raden .Dit geldt echter ook voor diegene die in de laatste acht weken een orale polio vaccinatie (via het innemen van een vloeistof) hebben gehad.
Slechts 1: 500-1000 besmettingen resulteert bij jongeren in het klassieke beeld van kinderverlamming (bij volwassenen 1 : 75-100 besmettingen). Van degenen met verlammingsverschijnselen herstelt een flink aantal zonder restverschijnselen (35 van de 80 gevallen van de epidemie van 1978). De mate van aantasting is o.a. afhankelijk van de efficiency van de afweer en verschilt per persoon en epidemie.
Het optreden van polio in Nederland
De ziekte wordt eigenlijk pas sinds 1900 gesignaleerd, komt over de hele wereld sporadisch voor, alleen in de economisch rijke landen in de vorm van epidemieën. Dit heeft ertoe geleid oorzaken te zoeken in de leef- en voedingswijze in deze landen. Er zijn ook bronnen die aangeven dat andere vaccinaties het afweersysteem zodanig verzwakken dat erna polio gemakkelijk uitbreekt. Dit verschjnsel wordt beschreven na de DKT- en pokkenvaccinatie . De grote polio-epidemieën in de Westerse wereld lopen gelijk met de introductie van de massale inentingen tegen difterie, kinkhoest en tetanus na de tweede wereld oorlog.
Het is ook opvallend dat polio-epidemieën in het verleden in Nederland steeds samenvielen met jaren waarin veel meer pokkenvaccinaties werden gegeven. De eerste grote naoorlogse epidemie van 1952, werd vooraf gegaan in 1951 door 2,5 x zoveel pokkenentingen als het jaar ervoor, en introductie van het DKT (difterie, kinkhoest, tetanus) in 1952 . Binnen enkele jaren werd al 70% van de bevolking ingeënt. In 1956 volgde een polio-epidemie met 2206 gevallen, het grootste aantal tot dan.
Het ziekteverloop
De ziektesymptomen kunnen sterk verschillen. We kunnen enkele vormen onderscheiden:
- De symptoomloze vorm. Hierbij vindt infectie en opbouw van immuniteit plaats zonder enig symptoom. Deze gevallen zijn dus niet bekend qua aantal.
- De milde vorm (abortieve polio). Deze treedt in 90% van de wel bekende besmettingsgevallen op en kenmerkt zich door lichte koorts, hoofdpijn, keelpijn, algemene malaise en soms braken. Deze vorm kan zo licht zijn dat het lijkt op een gewone griep of verkoudheid. Herstel volgt binnen drie dagen. De incubatietijd bedraagt drie tot zes dagen. Soms volgt na een herstel van enkele dagen toch de zware vorm.
- De zware vorm (hersenvliesontsteking). Meestal treedt dit op zonder dat de eerste vorm eraan vooraf gaat. Incubatietijd meestal 7-14 dagen, maar maximaal 35 dagen. Symptomen zijn: koorts, ernstige hoofdpijn met nekstijfheid en rugstijfheid, slaperigheid en sufheid, rusteloosheid, overgeven, diarree en gevoelige pijnlijke spieren bij aanraking. Het lijkt op een virale hersenvliesontsteking. We noemen dit de non-paralytische polio. Ook van deze symptomen kan een spontaan herstel optreden, maar ook kunnen hierna de verlammingsverschijnselen (in 24 uur) optreden.
- Paralytische polio. Asymmetrische zwakte en verlammingen van spieren, meestal zijn er ledematen bij betrokken. Dit is dus het beeld van polio dat het bekendst is. Acuut gevaar is er als de ademhaling- en slikspieren en soms de hartspier verlamd raken, dit is vaak het geval bij het optreden van een opstijgende verlamming d.w.z. vanaf de benen verder omhoog.
- Ook vanuit de zware vorm kan nog spontaan volledig of gedeeltelijk herstel optreden.
Behandeling
De reguliere geneeskunde kent geen behandeling van polio, alleen begeleiding met fysiotherapie. Enkele andere geneeswijzen melden wel resultaten bij de behandeling van polio , het betreft de antroposofische geneeskunde, de homeopathie en de behandeling met vitamines en mineralen (vitamine C en zink) of met magnesiumchloride . Helaas worden deze methoden in de westerse wereld niet meer toegepast sinds alle ontwikkeling zich op vaccins heeft gericht.
Momenteel wordt alleen nog in India polio behandeld met homeopathie. De resultaten van de Indiase homeopathische arts dr. Vyaydeep Waghana bij de behandeling van 3000 polio patiënten zijn opzienbarend. Hij geeft genezingspercentages van 80-90% voor verlammingen aan een been in de leeftijdsgroep tot 10 jaar .
Verdere details over deze behandelingen en bronnen hierover, zijn te vinden in het artikel 'De behandeling van polio' en in het meest complete boek over alle aspecten van polio en de poliovaccinatie van dr. Jean Pilette .
Vaccins
Er bestaan twee verschillende polio vaccins:
Het Salkvaccin, dit is bereid met een gedood virus en wordt ingespoten, ook wel IPV (Geïnjecteerd Polio Virus) genoemd. In Nederland wordt uitsluitend dit vaccin verstrekt. Hiermee behoort Nederland met Zweden en Finland tot de minderheid, de meeste landen geven het SABINvaccin, het is een levend verzwakt virus, toegediend via de mond. Het wordt ook OPV (Oraal Polio Vaccin) genoemd. Voorstanders van het Sabinvaccin zeggen dat dit een betere immuniteit geeft, vooral door de afweer in de slijmvliezen van het hele spijsverteringskanaal te activeren. Het wordt immers via de natuurlijke weg die het wilde virus ook volgt, n.l. via de mond, ingenomen, waardoor het wilde virus bij besmetting daar snel onschadelijk gemaakt kan worden. Als nadelen van dit vaccin worden genoemd een lagere effectiviteit en het optreden van meer bijwerkingen, waaronder het veroorzaken van polio zelf.
Dat is ook de reden waarom veel landen momenteel ijlings op het Salkvaccin overschakelen, veel van de nog voorkomende poliogevallen blijken veroorzaakt door het levende vaccinvirus dat weer terug virulent (kwaadaardig) kan worden.
Daarbij komen nog de nadelen die aan levende vaccins kleven met name de kans op het optreden van auto-immuunreacties, d.w.z. dat het lichaam antistoffen gaat aanmaken tegen de eigen weefsels. Bij het Salkvaccin kan iemand als drager het wilde virus wel doorgeven, hoewel sommige onderzoeken toch antistofvorming in de darmen aantonen bij dit vaccin.
HET SALKPOLIOVACCIN (IPV)
Vaak wordt beweerd dat het Salkvaccin weinig bijwerkingen kent. Ten onrechte, het boek van dr. Pilette geeft vele literatuurverwijzingen over bijwerkingen. Ik verwijs naar dit boek om alle oorspronkelijke bronnen te vinden van verder genoemde bijwerkingen. Bijwerkingen uit andere bronnen worden wel apart aangeduid. Een andere oorzaak van dit sprookje van het 'veilige vaccin' komt voort uit het feit dat dit vaccin opgenomen is in de combinatiespuit DKTP, en dat de kinkhoest component automatisch de schuld krijgt van alle bijwerkingen.
De bijwerkingen staan ook gedocumenteerd in een artikel van Dr. K.Gaublomme .
Hieronder volgen de bekende bijwerkingen van het Salkvaccin:
De beginperiode van dit vaccin wordt gekenmerkt door 'incidenten', het vaccin was niet goed gedood en er trad paralytische polio op bij 192 personen (het Cutter incident in 1955). Ook later worden er nog poliogevallen gemeld na vaccinatie.
Verontreinigingen van het vaccin met andere virussen.
Later bleek weer dat het vaccin was verontreinigd met apenvirussen, o.a. het SV40 (Simian Virus) en het SIV-virus, afkomstig uit de apennieren die gebruikt werden om het poliovirus te kweken. In de vijftiger en zestiger jaren is het Salk- en Sabinvaccin in ieder geval op grote schaal verontreinigd geweest met het SV-40 virus, met name tussen 1959 en 1962. Het SV-40 virus veroorzaakt kanker bij proefdieren. Enkele publicaties leggen ook een verband tussen het optreden van tumoren bij mensen en het Salkvaccin tot 1962 .
Heel duidelijk is het onderzoek van Heinonen , hij onderzocht bij 58.807 vrouwen of deze tijdens de zwangerschap wel of geen Salkinenting hadden gekregen. Bij de niet-gevaccineerden traden bij de kinderen uit deze zwangerschap bij 3 :100.00 kinderen tumoren op van het zenuwstelsel. Bij de kinderen van gevaccineerde moeders was dit getal bijna 13 x zo groot n.l. 38.
Het SIV-virus (Simian lmmunodeficieney Virus) is een retrovirus bij de aap, dat verwant is aan het menselijke HIV-virus, dat bij aidspatiënten wordt aangetroffen. Er zijn enkele publicaties verschenen die deze verontreiniging in het poliovaccin aanwijzen ais de oorzaak van het ontstaan van aids , , . De gebieden waar de eerste aidsgevallen worden gelokaliseerd en waar aids het meeste voorkomt, vallen samen met de gebieden waar de Amerikaan Kaprovski tussen 1957 en 1960 op grote schaal een levend poliovaccin testte op minstens 325.000 personen van de plaatselijke bevolking in Zaïre, Oeganda en Burundi.
De Nederlandse chimpansee-onderzoeker en filmer baron Hugo van Lawick, die zijn hele leven al tussen deze dieren in Afrika doorbrengt, komt tot de kernachtige conclusie: “Zodra de mens zich ermee bemoeit gaat het verkeerd. Van de chimpansees is toen 25% gestorven. Vroeger werden wilde dieren ervan beschuldigd ziektes naar de mens over te brengen, maar in werkelijkheid is het omgekeerd” .
Aandoeningen van het zenuwstelsel als bijwerking variëren van ontstekingen van een zenuw, b.v. de oogzenuw, tot ontstekingen en beschadigingen van de hersenen, met als gevolg ook sterfgevallen.
Enkele verschijnselen die in verschillende onderzoeken worden genoemd zijn:
- Convulsies en epileptische aanvallen.
- Verlammingen van een lichaamsdeel, gezicht, en blaas.
- Opstijgende verlammingen (paralyse van Landry genoemd), soms met de dood als gevolg.
- SSPE, een geleidelijke aftakeling van de hersenen die uiteindelijk tot de dood leidt.
- Syndroom van Guillain-Barré .
- Syndroom van Reye, een aantasting van de hersenen die gepaard gaat met een aantasting van de lever.
- Ernstige allergische reacties met uitslag, hoge koorts en collaps allerlei huiduitslagen, netelroos.
- Spierpijn op de injectieplaats.
- Astma aanvallen.
- Shock drie minuten na de prik met de dood tot gevolg.
- Tuberculeus abces.
- Dermatomyositis, een ziekte van het bindweefsel die overal in het lichaam afwijkingen kan geven.
- Een zeldzame afwijking aan de lymfeklieren, Laid genoemd.
Een vergelijking van de reacties na vaccinatie met DKTP en DKT (zonder polio), gaf voor de DKTP-combinatie veel meer ernstige onrust als reactie bij de kinderen.
Waarschijnlijk de meest voorkomende bijwerking van alle vaccins, dus ook van het poliovaccin, vormen de gevolgen van vermindering van de algemene afweer tegen allerlei ziektes. Kinderen krijgen vaak binnen een week na de vaccinatie een oorontsteking, bronchitis, of longontsteking.
De kinderen beginnen te sukkelen na de vaccinaties, de eerste antibioticakuur komt er aan te pas en vaak ook al de inhalators tegen astma. De kinderen ontwikkelen allergieën .
In de V.S. bestaat de mogelijkheid om compensatie te vragen bij schade door vaccinatie. Na de DKT vaccinatie, komen de meeste aanvragen binnen voor schade na de Salkvaccinnatie die daar apart wordt gegeven. (In de V.S. wordt zowel het Salk als het Sabinvaccin gebruikt.) Er worden over de vier jaar tussen 1988 en 1992 tien sterfgevallen gemeld.
HET SABINPOLIOVACCIN (OPV)
Dit is het levend verzwakte vaccin en wordt via de mond ingenomen.
Het voordeel van dit vaccin is de meer natuurlijke en gemakkelijke wijze van toedienen en de betere darmimmuniteit. Nadelen zijn de mindere effectiviteit en meer bekende bijwerkingen w.o. ook polio, zelfs bij contacten van gevaccineerden. Het uitbreken van polio na vaccinatiecampagnes met OPV wordt in talrijke bronnen gemeld en ook erkend door de reguliere medische wereld. De kans wordt geschat op 1:500.000 eerste vaccinaties. Alle 170 gevallen van polio in de USA sinds 1985 zijn veroorzaakt door het OPV.
In Nederland wordt dit vaccin alleen verstrekt tijdens epidemieën. De vraag is of daardoor niet polio wordt bevorderd, want enten van reeds besmetten geeft eerder complicaties. Krijgt iemand kort na enting polio dan wordt hij toch als niet geënt beschouwd en wordt dit niet in de pers gemeld. Bij de laatste polio-epidemie in 1992 kwamen vier baby's met ernstige polioverschijnselen in het ziekenhuis terecht. Hiervan herstelden drie zich er volledig, één baby stierf, het kind werd pas ziek nadat het een orale polio vaccinatie had gekregen .
Het Sabinvaccin is door de recente overschakeling op het Salkvaccin in België en Duitsland nog maar moeilijk verkrijgbaar.
Bijwerkingen van het Sabinvaccin:
- Polio, ook bij contacten, besmetting via de stoelgang is mogelijk gedurende acht weken.
- Acute reacties: hoge koorts, convulsies, overgeven, diarree, klierzwelling, spierpijn (vooral in de nek), pijn in de botten, gewrichtspijn.
- Allergische reacties, komen vaker voor bij kinderen die eerder met het IPV zijn geënt.
- Reuma.
- Aandoeningen van het zenuwstelsel en spieren. Aangezien het levende verzwakte virus weer gevaarlijk kan worden, na toediening en polio kan veroorzaken, kunnen er ook allerlei aandoeningen van zenuwen en spieren optreden. In de literatuur worden een groot aantal verschillende ontstekingen van zenuwen, spieren en verlammingen genoemd . Het varieert van een verlamming van een oogspier, zenuwontstekingen, M.S., epilepsie tot aan dodelijke meningitis en encephalitis. Een Braziliaans onderzoek bevestigt het verband tussen het Sabinvaccin en drie soorten verlammingen (Guillain-Barré, transverse myelitis en aangezichtsverlammingen) heel duidelijk, doordat bij deze patiënten ook het vaccinpoliovirus werd aangetroffen. Echter zodanig gemuteerd dat het weer verlammingen kon veroorzaken . Hiermee is ook aangetoond dat levend verzwakte vaccinvirussen heel lang in het lichaam aanwezig kunnen blijven. De betrokken patiënten waren maanden tot jaren eerder gevaccineerd.
- Huidaandoeningen.
- Een onderzoek in Beieren liet zien dat er in de maand na de orale poliovaccinatie 26 kinderen stierven op een groep van 702.348 met polio gevaccineerde kinderen .
Verschuivingen
Een hypothese m.b.t. het poliovaccin is dat het een verschuiving veroorzaakt naar allerlei andere, veelal chronische aandoeningen van zenuwen en spieren . De laatste 40 jaar zien we allerlei nieuwe aandoeningen toenemen waarvan het beeld meer of minder lijkt op polio: Multiple Sclerose , polio lijkt heel sterk op acute multiple sclerose, A.L.S. (Amyotrofische Lateraal Sclerose), de ziekte van Guillain Barré, verschillende vormen van polyneuritis (zenuwontsteking) worden beschreven na seruminjecties en na vaccinaties, en tot slot aseptische meningitis.
Verder zien we vele verschillende nieuwe soorten degeneratieve spierziektes. Zo constateerde men in het universitaire ziekenhuis van Freiburg een duidelijke toename van een zeldzame spierziekte bij kinderen, de ziekte van Werdnig-Hoffmann sinds 1963, de periode dat begonnen werd met de toepassing van het orale poliovaccin .
Tot slot hebben we enkele moderne syndromen die veel lijken op het post-poliosyndroom. Dat is het optreden van nieuwe spierzwakte, spier- of gewrichtspijn en snelle vermoeibaarheid bij mensen die in hun jeugd polio hebben gehad. Qua symptomen sluit dit beeld precies aan bij het chronische vermoeidheidssyndroom (CVS), ook wel M.E. genoemd. Lijders hieraan hebben geen van allen polio gehad maar wel allemaal een polio-vaccinatie. Vaak worden bij CVS-patiënten verschillende virussen waaronder ook het Coxsackie- en Echo virus aangetroffen . De onderzoeksresultaten geven aan dat enterovirussen, ofwel het poliovirus, ofwel het Coxsackie- of Echovirus, een chronische virale infectie kunnen veroorzaken die overeenkomt met M.E.
"De een z'n dood is de ander z'n brood" geldt ook in de wereld van de micro-organismen. De plaats van het poliovirus wordt door andere virussen ingenomen .
Het ziektebeeld van M.E. doet op haar beurt weer veel denken aan fybromyalgie, ook zo'n modern syndroom waarvan men geen oorzaak weet.
Opvallend is ook dat er een verschuiving is opgetreden van het type poliovirus. Eerdere epidemieën waren altijd van het type 1, de laatste epidemie in Nederland in 1992 was echter type 3. Type 3 veroorzaakt sneller verlammingen. In Finland waren er in 1986 een aantal poliogevallen van virustype 3 bij volledig gevaccineerden met het Salkvaccin .
MAATREGELEN TER VOORKOMING VAN POLIO
Er zijn een aantal mogelijkheden om de complicaties van een polio besmetting te voorkomen, vaccinatie is zeker niet de enige weg . Nadere details en bronnen zijn te vinden in nummer 25 van de literatuurlijst.
Tijdens epidemieën geen andere vaccinaties en andere injecties laten geven. Ook geen amandeloperaties laten doen.
Het gebruik van snel opneembare suikers, dat zijn geraffineerde suikers zoals witte suiker en rietsuiker, glucose(stroop) en dextrose, sterk beperken. Het gebruik van deze producten leidt tot sterke schommelingen van de bloedsuikerspiegel. Dr. B. Sandler heeft aangetoond dat deze suikers samen met veel witmeelproducten, leiden tot periodes met lage bloedsuikers en dat daardoor het poliovirus in het zenuwstelsel kan doordringen. Daarbij moet ook overmatige lichamelijke inspanning vermeden worden, omdat dit ook tot te lage bloedsuikers leidt. Hij heeft de effectiviteit van zijn dieetvoorschriften ook praktisch getoetst tijdens polio-epidemieën in de V.S .
Homeopathische profylaxe. Verschillende auteurs beschrijven een preventieve werking van enkele homeopathische middelen ter voorkoming van complicaties na poliobesmetting.
Vitamines en mineralen. Drie onderzoekers beschrijven goede resultaten bij het voorkomen en behandelen van polio met hoge doses vitamine C. Ook mineralen die belangrijk zijn bij het handhaven van een constante bloedsuikerspiegel zoals zink en chroom kunnen belangrijk zijn.
Magnesiumchloride werkt preventief volgens de publicaties van prof. Debet en Dr. Neven .
Van vele planten is een antivirale werking bekend uit onderzoek. Bij de Zuid-Amerikaanse plant Pau d'arco is de dodende werking op het poliovirus aangetoond.
Psychische en emotionele overbelasting verzwakken ook het afweersysteem. Daarover is inmiddels veel bekend. Alles wat er op dit terrein gedaan wordt om meer rust of juist uitdaging, en evenwicht te brengen, maakt een kind weerbaarder tegen infectieziektes, ook polio , ,
Conclusie
Vroeger circuleerde het poliovirus vrijelijk, al op babyleeftijd kwam iedereen in contact met het virus en maakte antistoffen aan. Met de toegenomen hygiëne kwam dit contact pas later tot stand en was er onvoldoende afweer. Samen met andere factoren zoals het toedienen van andere vaccinaties, ontstond daardoor het verschijnsel van epidemieën in de welvarende landen.
Het is een feit dat er sinds de introductie van de poliovaccinatie in Nederland in 1957 geen grote epidemieën meer zijn voorgekomen, alleen nog kleinere in groepen die zich niet laten enten. Dat geldt echter ook voor landen met een veel lagere vaccinatiegraad. Bovendien kan het op grote schaal toedienen van het Sabinvaccin tijdens deze epidemieën net wel eens de verspreiding van polio hebben veroorzaakt.
Anderzijds maant ook de geschiedenis van het poliovaccin ons tot voorzichtigheid bij de conclusie dat dit vaccin alleen maar goed doet.
Het is niet juist dat de niet-gevaccineerden beschermd worden door de ‘kudde-immuniteit’, immers het Salkvaccin geeft geen afweerstoffen in slijmvliezen en darmkanaal en kan dus ook door gevaccineerden worden doorgegeven.
Tegenover het verdwijnen van polio staat, dat andere vaccinaties een rol hebben gespeeld bij het ontstaan van de polio-epidemieën tot 1956, die juist aanleiding zijn geweest om op grote schaal te gaan vaccineren. Verder zijn de bijwerkingen van het IPV (Salk) niet grondig onderzocht en geregistreerd. De bijwerkingen die wel bekend zijn, zijn echter al voldoende om te stellen dat het niet per definitie een veilig vaccin is.
Er zijn serieuze aanwijzingen voor de hypothese dat poliovaccinatie een verschuiving veroorzaakt naar andere ziektes. Verder wordt de geschiedenis van het poliovaccin gekenmerkt door talrijke incidenten, die ook heel wat slachtoffers hebben gemaakt.
Het Nederlandse Salkvaccin wordt nog altijd op apenniercellen gekweekt met alle risico’s van dien. Een nieuwe methode met ‘Verocellen’ zou veiliger moeten worden.
Hiermee is echter niet elk risico uitgesloten. Het kweken en behandelen van bacteriën en virussen in laboratoria kent talrijke incidenten en gevaren. Meestal komt men er veel later pas achter.
Zo was het Britse poliovaccin van de firma Medeva gekweekt op foetussen van kalveren, waardoor het BSE risico bestond.
De twee bestaande vaccins kennen elk hun eigen voor- en nadelen. Het OPV is nu in ongenade gevallen en daarmee is IPV feitelijk de winnaar van de vijfenveertig jaar strijd tussen deze twee vaccins. De vraag is nog maar of hier de beste heeft gewonnen.
Er zijn een aantal andere mogelijkheden om de risico's van polio te beperken. Ouders kunnen daar met evenveel recht voor kiezen als voor vaccinatie.
Het is echter wijs om een weg te kiezen vanuit vertrouwen en kennis, en niet op basis van angst, noch uit angst voor de ziekte, noch uit angst voor de bijwerkingen van het vaccin.
Literatuurlijst
- P.M. Oostvogel: Virologie en pathogenese van polio. Infectieziekten Bulletin 1995, nr. 2
- L.I. Hertzberger: Klinische differentiaaldiagnose van polio, idem 1
- H. Bijkerk, F.J. Draaisma, A.C. van der Gugten en M. van Os: Restverschijnselen bij patiënten met paralytische poliomyelitis na de polio-epidemie in 1978, Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde 125, nr, 50, 1981
- L.I. Hertzberger: Klinische differentiaaldiagnose van polio, idem 1
- Viera Scheibner: Vaccination. Australië 1993. blz. XVIII
- Viera Scheibner: Vaccination. Australië 1993. blz. XVIII
- Peter Guinée, Polio en de polio-vaccinatie in Nederland, het Prikje sept. 1996
- Peter Guinée, Polio en de polio-vaccinatie in Nederland, het Prikje sept. 1996
- Peter Guinée, De behandeling van polio, het Prikje dec. 1997
- Braeckman, Bruno, Brief over de behandeling van polio met magnesiumchloride in het Prikje, juni 1998
- Dr. Vyaydeep Waghana: Yes, polio is curable. The Homeopathic Heritage, Febr. 1993.
- Peter Guinée, De behandeling van polio, het Prikje dec. 1997
- Dr. Jean Pilette: Nous te protegerons! La Poyomyelite. Quel Vaccin? Quel Risque? met 426 literatuurverwijzingen. Edition de L'aronde, 4280 Avin-Hannut, België Te bestellen bij de schrijver. 14, rue Buisson Saint-Guibert, 5030 Gembloux, België.
- Dr. Jean Pilette: Nous te protegerons! La Poyomyelite. Quel Vaccin? Quel Risque? met 426 literatuurverwijzingen. Edition de L'aronde, 4280 Avin-Hannut, België Te bestellen bij de schrijver. 14, rue Buisson Saint-Guibert, 5030 Gembloux, België.
- Dr.K.Gaublomme: Salk poliovaccin, ‘t Prikje dec. 2000.
- Dr. Jean Pilette: Nous te protegerons! La Poyomyelite. Quel Vaccin? Quel Risque? met 426 literatuurverwijzingen. Edition de L'aronde, 4280 Avin-Hannut, België Te bestellen bij de schrijver. 14, rue Buisson Saint-Guibert, 5030 Gembloux, België, Blz 108-109
- Heinonen e.a., Immunization during pregnancy against poliomyelitis and influenza in relation to childhood malignancy, Int. Journ. Epidemics, 1973, 2,3,: 229-235.
- Curtis, Tom, The origin of Aids, Rolling Stone, March l9th, 1992
- Kyle Walter, Simian retrovirusses, poliovaccine and the origin of Aids, the Lancet vol 339, Mar 7,1992
- Stricker R.B., Eiswood B, F. HIV contamination of polio-vaccins, Lancet, 1 jan. 1994, 343:52
- Algemeen dagblad, 31 juli 1999
- Verslag van de Geneeskundige Hoofdinspectie in Nederland over 1959
- Verslag van de Geneeskundige Hoofdinspectie in Nederland over 1959
- Kemp, T.; Pearce, N.; Fitzbarrie, P.; et al. 1 infant immunization a risk factor for childhood asthma or allergy?, Epidemiology, 1997, Nov. 8:6:678-80.
- Thijssen-Bos, F.; Oostvogel, P.M.; et al. Vier jonge zuigelingen met polio. Ned Tijdschr. Geneesk. 1993; 137, nr 28: 1377-1380.
- Dr. Jean Pilette: Nous te protegerons! La Poyomyelite. Quel Vaccin? Quel Risque? met 426 literatuurverwijzingen. Edition de L'aronde, 4280 Avin-Hannut, België Te bestellen bij de schrijver. 14, rue Buisson Saint-Guibert, 5030 Gembloux, België.
- Friederich F. , Rare adverse events asociated with oral poliovirus vaccine in Brazil, Brazilian Journal of medical and biological Research. 30(6). 695-703, 1997 Jun
- Dr. Jean Pilette: Nous te protegerons! La Poyomyelite. Quel Vaccin? Quel Risque? met 426 literatuurverwijzingen. Edition de L'aronde, 4280 Avin-Hannut, België Te bestellen bij de schrijver. 14, rue Buisson Saint-Guibert, 5030 Gembloux, België.
- Campbell, Dr-William, Chronic Fatique Syndrome: The hidden polio epidemic, the second opinion newsletter, 1998.
- Intern. Vaccination Newsletter, sept 1996 en juni 1997
- Dr. Jean Pilette: Nous te protegerons! La Poyomyelite. Quel Vaccin? Quel Risque? met 426 literatuurverwijzingen. Edition de L'aronde, 4280 Avin-Hannut, België Te bestellen bij de schrijver. 14, rue Buisson Saint-Guibert, 5030 Gembloux, België.
- Hyde, Dr. Byron. Recente Ontdekkingen. Opgen. in de artsendocumentatiemap, april 1994 van de M.E.-stichting.
- Hyde, Dr. Byron. Recente Ontdekkingen. Opgen. in de artsendocumentatiemap, april 1994 van de M.E.-stichting.
- Campbell, Dr-William, Chronic Fatique Syndrome: The hidden polio epidemic, the second opinion newsletter, 1998.
- Hovvi, T., et al 1986. Outbreak of paralytic poliomyelitis in Finland. Lancet 21 June: 1427-1432.
- Hovvi, T., et al 1986. Outbreak of paralytic poliomyelitis in Finland. Lancet 21 June: 1427-1432.
- Dr. B. Sandler: Diet prevents polio, The Lee Foundation, Milwaukee, USA Ook in het Duits vertaald, Vollwerternährung schützt vor Kinderlähmung und andere Viruserkrankungen, EMU-verlag, 1986
- Braeckman, Bruno, Brief over de behandeling van polio met magnesiumchloride in het Prikje, juni 1998
- Dr. Wilhelm zu Linden: Geburt und Kindheit. 1974, Uitgeverij Vilttorio-Klostermann.
- Dr. Husemann en dr. Wolff: Das Bild des Menschen als Grundlage der Heilkunst-Verlag: Freies Geistesleben.
- Th. Böckeler: Zur therapie der spinalen kinderlähmung. Beiträge zur Erw- Heikunst. 6 (1953)
- Dongen, J, van, Pleidooi voor de aap, de waarheid achter Aids en anders virusinfecties, Uitg. Kriterium

