Zijn de hulpstoffen in vaccins schadelijk?

Zijn de hulpstoffen in vaccins schadelijk?

(Hulp)stoffen in vaccins die onder bepaalde grenswaarden vallen, hoeven niet op de bijsluiter te worden vermeld. Toch kunnen ook deze stoffen in kleine hoeveelheden of in combinatie met andere stoffen problemen geven die gezien de huidige situatie van testen, waakzaamheid en surveillance onopgemerkt blijven.

Een aantal losse componenten werd voorheen wel, maar wordt tegenwoordig niet meer vermeld in de bijsluiter, omdat het onderdelen zijn van verschillende adjuvantia. Dit geldt bijvoorbeeld voor squaleen, aluminiumzouten, polysorbaat 80, Monofosforyl Lipid A, vitamine E, etc.

Daarbij weten we niet precies wat de officieel vermelde hulpstoffen in het lichaam doen, omdat farmacokinetisch onderzoek voor vaccins niet wordt vereist, terwijl dit wel is vereist voor medicijnen voordat ze op de markt mogen worden toegelaten. Farmacokinetisch wil zeggen; onderzoek naar wat de ingespoten stoffen in het lichaam doen, waar ze naar toe gaan, of, hoe en hoe snel en langs welke weg ze worden uitgescheiden of opgeslagen in het lichaam en waar en hoe lang. We weten het niet! Ook gerandomiseerd dubbelblind placebogecontroleerd onderzoek is niet vereist bij vaccins. Onderzoeken worden door de farmacie zelf gedaan. Welke klachten worden meegeteld? Zijn dat alleen tijdelijke klachten of ook effecten op de langere termijn?

Zonder adjuvans, zouden veel vaccins geen of onvoldoende immuunreactie teweegbrengen. Deze stoffen hebben als doel het stimuleren van het immuunsysteem. Andere hulpstoffen hebben vooral een functie in bescherming, conservering, vloeibaarheid van de injectievloeistof.

Dat kan soms al met kleine hoeveelheden. Vaccinatie geeft dus een bewuste trigger, stimulans en een aanzet tot reageren van ons immuunsysteem. Een van deze mechanismen is het bewust opwekken van een ontsteking op de injectieplaats. (H.C. Rümke, postvaccinatie verschijnselen: prikplaatsreacties en reactogeniciteit, JGZ Tijdschrift voor Jeugdgezondheidszorg 2016, issn 1567-8644).

Elk kind is anders en reageert ook anders op bepaalde hoeveelheden van een bepaalde stof. Denk hierbij aan de gezondheid op dat moment, evt. medicijngebruik, mutaties in de (epi)genetica (genmutaties MTHFR), vitaminen tekorten, etc. Voor een ziek of gevoelig kind kan een kleine hoeveelheid al klachten geven.

Veelal worden bijwerkingen verdeeld in klachten ontstaan binnen enkele dagen tot enkele weken na de vaccinatie. Toch beschrijft het RIVM ook gezondheidsklachten of veranderingen in afweer op langere termijn. Zelfs in de volgende generatie! Vaak in kleine zinnetjes of omschrijvingen, maar met grote gevolgen voor onze gezondheid.

Voorbeeld 1. In het artikel feiten en fabels over mazelen en vaccinatie van het RIVM, 17 juli 2013, wordt vermeld (punt 11); Gevaccineerde moeders geven minder langdurig bescherming aan hun pasgeboren baby dan moeders die zelf mazelen hebben gehad. Daardoor hebben moeders voor een kortere duur maternale (moederlijke) antistoffen. De net geboren baby is minder lang beschermd door de moederlijke antistoffen en is vatbaarder voor mogelijke infecties.
RIVM

Voorbeeld 2. In een eerdere publicatie heeft het RIVM ook aangegeven dat door vaccinatie juist meer TH2 afweercellen worden aangemaakt. Deze Th2 afweercellen worden in verband gebracht met allergieën en auto-immuunziekten.

Bron: www.nationaalkompas.nl> Nationaal Kompas Volksgezondheid\Gezondheidsdeterminanten\Persoonsgebonden\Immuunsysteem, 21 september 2001. Nationaal Kompas Volksgezondheid, versie 4.11, 28 maart 2013, RIVM, Bilthoven.

Nee, de hulpstoffen in de vaccins van het Rijksvaccinatieprogramma zijn niet schadelijk. Alle stoffen die in een vaccin zitten, staan in de bijsluiter genoemd, ook de hulpstoffen en de mogelijke reststoffen.